maandag 19 november 2012

Makelpunt Utrecht: ruimte delen is samen iets doen



Het Makelpunt van de gemeente Utrecht is zelf gevestigd in een klassiek jaren ’70 kantoorkolos. Maar dan wel op de begane grond en als je het weet, hoef je niet eens langs de portier. Eigenlijk wel symbolisch voor een organisatie die mensen die iets willen en ruimte die niet wordt gebruikt, op een makkelijke manier bij elkaar wil brengen. Want dat is wat het makelpunt doet.

Excellijstje
Thieu Schwitzner, een van de twee Utrechtse “makelaars” vertelt: “Zoals zoveel gemeenten wist Utrecht niet wat er allemaal aan ruimte voor handen is. De gemeente kende het eigen bezit zelfs niet. Veel ruimten werden beheerd door aparte dienstonderdelen. Welzijn deed welzijn, sport deed sport en onderwijs deed onderwijs. Dus kon het gebeuren dat iemand die op zoek was naar een ruimte bij drie wethouders terecht kwam en toch nul op het rekest kreeg. Had ‘ie mazzel, dan zat er een ambtenaar met contacten aan tafel. Die kon dan soms wat regelen.” Maar je kunt je natuurlijk ook voorbereiden op dat gesprek bij de wethouder en zo werden de eerste excellijstjes gemaakt. Het makelpunt vindt zijn oorsprong in het ambtelijk initiatief om in kaart te brengen welke ruimten er beschikbaar waren in de stad. En de vervolg stap was het digitale aanmeldformulier, waar partijen konden melden dat er ruimte beschikbaar was. Zo kreeg het Makelpunt vorm. Uiteindelijk werd het op 1 januari 2010 officieel geopend.

Stammenstrijd
Het makelpunt liet zien dat de politieke doelstellingen op het gebied van vastgoed soms tegenstrijdig waren. Thieu Schwitzner: “De gemeente college hanteerde wel de doelstelling dat mooie initiatieven gehuisvest moesten worden, maar vond ook dat vastgoed verkocht moest worden om zo inkomsten te genereren. En omdat die opdrachten bij verschillende ambtelijke diensten waren ondergebracht, kon het gebeuren dat een leegstaand pand niet aan een mooi initiatief ter beschikking werd gesteld, omdat dat de verkoop maar zou bemoeilijken.” Een klassieke ambtelijke stammenstrijd was het gevolg. Per 1 januari 2012 is daar een oplossing voor gevonden door de Utrechtse Vastgoed Organisatie (UVO) te lanceren. Die beheert al het vastgoed van de gemeente en is daarmee ook de plek waar de verschillende opdrachten samenkomen. En waar zo nodig ook een bestuurlijke knoop kan worden doorgehakt: gebruiken of verkopen.

Leven in de brouwerij
Partijen die ruimte aanbieden aan het Makelpunt hebben daar verschillende motieven voor. Een aantal partijen is op zoek naar extra inkomsten. Om die reden heeft bijvoorbeeld de Protestantse Kerk zich gemeld. Ook de gemeente en door de gemeente gesubsidieerde organisaties maken er gebruik van; soms wordt het gebruik van een pand beëindigd, maar loopt het huurcontract nog door. Dan moet een betalende vervangende gebruiker worden gevonden. Anderen zoeken naar partners die reuring brengen, zoals verzorgingstehuizen. Tot slot speelt een combinatie van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en de wens tijdelijk gebruik voor een pand te organiseren. Dat is de reden dat corporaties panden ter beschikking stellen die ze hebben verworven om op termijn te herontwikkelen.
Ongeacht de motieven, gebruik van beschikbare ruimte heeft vaak synergie tot gevolg. Zo zocht de kunstuitleen ruimte om zijn kunstcollectie op te slaan, tijdens een verbouwing. Action Continu, een zorgaanbieder, was op zoek naar leven in de brouwerij voor een zorgcentrum en nam contact met het makelpunt op. Zij hadden een prachtige kelder ter beschikking, helemaal droog, ideaal voor de opslag van kunst. En zo kwam er een kunstuitleen bij het zorgcentrum. Schwitzner: “ook ondernemers zijn natuurlijk een doelgroep van de gemeente. Zo hebben we ook bij een zorgcentrum een startend naaiatelier ondergebracht, dat uit de eigen woonkamer was gegroeid. Tegen een betaalbaar tarief, met de afspraak dat bewoners daar ook terecht kunnen om een knoopje aan te naaien.”
Voor een school voor voortgezet onderwijs moest extra ruimte voor bewegingsonderwijs worden gevonden. Lucienne Hordijk, de andere makelaar: “Die sporthal kwamen we tegen in De Pionier. Dat was een oude ROC, die door corporatie Mitros was gekocht om over een paar jaar te gaan herontwikkelen. Die kozen niet voor anti-kraak, maar wilden er tot aan herontwikkeling nuttige functies in huisvesten. Toen we daar op bezoek waren, liepen we onverhoeds de gymzaal in. Niemand wist dat die bestond en nu besparen we de gemeente ettelijke tonnen. Zo verdienen we onszelf jaarlijks meermalen terug.”

Een onwaarschijnlijke match is ook een match
Partijen die het makelpunt benaderen met een ruimtevraag, zijn van een zeer divers pluimage. Het makelpunt biedt daartoe de ruimte door niet kieskeurig te zijn; geen strikte regels over grootte, wel of niet bedrijfsmatig of gelovig. Wie behoefte heeft aan ruimte kan bij het Makelpunt terecht. Zo vinden bijvoorbeeld veel goede doelen tijdelijk ruimte via het Makelpunt; het happietaria van een groep studenten, books for life, Humanitas, Voedselbank. Hordijk vertelt het verhaal van de mevrouw met de Teddyberen: “Een mevrouw zamelde Teddyberen in voor het goede doel. Zo succesvol dat haar hele huis er op een gegeven moment vol mee lag. Het Makelpunt kon haar behoefte aan opslag koppelen aan de kelder van Dutch Game Garden, succesvolle gamemakers. Resultaat is ook dat de gamemakers regelmatig achter hun pc vandaan komen om de nieuwe aanvoer van knuffels op te slaan in de kelder. Het is hun persoonlijke bijdrage aan de Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen-doelstelling van hun bedrijf.”
Je ruimte aanbieden bij het makelpunt is nog geen vanzelfsprekendheid. Het verbeteren van de website, waar partijen hun wensen gedetailleerd kunnen aangeven moet dat verbeteren, net zoals het aanbieden van een basiscontract. Niet dat partijen dat dan moeten gebruiken, maar het feit dat het er is, maakt het allemaal net weer wat makkelijk. Ook blijft het makelpunt zelf actief als het gaat om het koppelen van vraag en aanbod. “Soms moet je de match een zetje geven, mensen echt met elkaar in contact brengen en wijzen op de meerwaarde die ze allebei aan de samenwerking kunnen ontlenen. Het blijft een ding van mensen. Bij scholen zie je dat goed. Als een directeur het allemaal gedoe vindt, komt het niet van de grond. Maar is de directeur enthousiast, dan kan er van alles. Soms helpt dan de bereidheid van de nieuwe gebruiker om wat te betalen, maar veel vaker is het vooral belangrijk dat hij iets meebrengt voor de school”, zegt Schwitzner. “En dat zijn natuurlijk wel de leukste resultaten.”

vrijdag 2 november 2012

Werkgebouw het Veem; zelf doen is goedkoop



Het Veem werd eind 19de eeuw als pakhuis gebouwd aan het Amsterdamse IJ. Bedoeld voor de opslag van koffie, thee, cacao en cocaïne. Met het verder opschuiven van de haven richting het westen verloor het eind jaren ’70 zijn functie. Het kwam leeg te staan en stond op de nominatie om te worden gesloopt. Maar zoals dat toen nog ging: het pand werd gekraakt. Urban Legend wil dat de toenmalige eigenaar zelf de sleutel ter beschikking stelde aan de krakers; was hij mooi van de sloopverplichting af.
Keurige krakers waren het. Ze wilden niet wonen in het pand, maar werken. Ze zetten het naar hun hand en toen de gemeente het in 1984 voor een gulden aan ze verkocht, gingen ze volop aan de slag met de verbouwing. Betaald met een subsidie hier, een subsidie daar, een lening van de Triodos Bank en uitgevoerd met ontzettend veel onbetaalde inzet van de huurders.

Zelfredzaamheid
Paul van Soomeren begon er in 1984 met Bram van Dijk onderzoeks- en adviesbureau DSP-groep. Met z’n tweeën ontvingen ze midden in de verbouwing opdrachtgevers van ministeries en gemeenten. Er was maar één toilet, maar dat gebrek aan voorzieningen vonden de ambtenaren juist charmant. DSP-groep heeft nu zo’n 50 medewerkers en is daarmee een van de grotere huurders van het Veem. Al die jaren is Van Soomeren betrokken geweest bij het reilen en zeilen van het pand. “Zelfwerkzaamheid staat hier hoog in het vaandel. Alle muren, toiletten en schoorstenen zijn door de huurders zelf eigenhandig gebouwd. Zo ook de vides, het trappenhuis en alle leidingen. Wij waren in de begintijd die onderzoekers/adviseurs met twee linkerhanden. Onze bijdrage bestond uit het besturen van het pand, het onderhouden van contacten met de gemeente en dat soort dingen. De handige computerjongens deden de boekhouding, de wiskundige en bouwkundig ingenieur maakten de meerjaren onderhouds begroting  en de ambachtslieden namen onder leiding van architect Jaap den Baars de verbouwing ter hand.” Die verbouwing bevatte een aantal slimme ideeën. Er werd (schacht) ruimte gemaakt voor alle leidingen voor water, gas, , elektriciteit en communicatie. Dat maakt dat het gebouw nog steeds gemakkelijk kan inhaken op nieuwe technische ontwikkelingen en nieuwe gebruikers snel hun plek kunnen innemen, zonder veel te hoeven verbouwen. Slim was ook het aanbrengen van individuele energiemeters, zodat over de afrekening van de energiekosten geen ruzies ontstaan.
Het verbouwen gebeurde en gebeurt met liefde voor het pand. Oude details worden zichtbaar gemaakt, nieuwe ingrepen met zorg ingepast en het pand is ook door kunstenaars onder handen genomen. Zij hebben de vloer meerdere lagen verf in verschillende kleuren gegeven, zodat de gangbare en minder gangbare looproutes in het pand als vanzelf in kaart worden gebracht.

Hoeveel doe je samen?
Anno 2012 zijn er zo’n 70 huurders in het pand. Allemaal zijn ze lid van de vereniging van huurders. Dat lidmaatschap betekent dat ze onderdeel uitmaken van het hoogste bestuursorgaan in het gebouw: de algemene ledenvergadering. De betrokkenheid is behoorlijk; als er belangrijke besluiten op de agenda staan, komt meer dan de helft van de leden opdagen. Toch zijn de tijden veranderd, vertelt Van Soomeren. “In de begintijd werd er eindeloos vergaderd, met het bier op tafel en in walmen sigarettenrook. Nu gaat de vergadering strakker, is er spa rood en mag er niet gerookt worden. De voorzitter is extern en dat houdt mensen scherp.”
Ook de betrokkenheid van huurders bij het pand is veranderd. Met het voortschrijden van de tijd doet zich daar een scheiding der geesten voor. Gebruikers van het eerste uur klagen dat nieuwkomers niet een vergelijkbaar enthousiasme aan de dag leggen voor het pand als zij zelf. Niet zo gek, vindt Van Soomeren. “Het maakt natuurlijk uit of je zelf hebt staan verbouwen, of dat het pand al klaar was toen je je hier vestigde. Andersom beklagen de nieuwe huurders zich wel over het ‘gezeik van de ledenraad’. Het hoeft toch niet allemaal samen? Om de betrokkenheid van huurders te vergroten, zijn we de afgelopen jaar meer gaan doen met het pand. Een piano restaurateur en een filmer organiseren regelmatig piano-concerten in de vide van het Veem. We doen mee aan de Openmonumentendag. We roeren ons in de discussie over de toekomst van de Houthavens. Dan hebben mensen ook een reden om uit hun eigen ruimte te komen en samen te komen in het pand.”

Nieuwkomerscommissie
Wie in het Veem wil werken, moet langs de Nieuwkomerscommissie. Die selecteert de nieuwe huurders, en let daarbij op een aantal criteria. Draagt de nieuwkomer bij aan de diversiteit van de gebruikers? Hoe wordt de verhouding tussen denkers, doeners en kunstenaars? Is de nieuwkomer kredietwaardig, maar niet te vermogend? Het is uiteindelijk de algemene ledenraad die de beslissing neemt. Samenwerking tussen de huurders is geen expliciete doelstelling van het Veem, of criterium voor toelating. Die samenwerking komt natuurlijk wel regelmatig spontaan tot stand. Men maakt gebruik van elkaars diensten of elkaars ruimte.
Een van de afspraken in het Veem is dat iedereen autonoom is in zijn eigen ruimte, zolang hij/zij huur betaalt en zich verder ook als een goed huurder gedraagt.  Dat geldt voor de filmer en fotograaf in het gebouw, voor de onderzoeker en mode ontwerpster, voor architect en drukker, aannemer en metaalbewerkster en dus ook voor het theater, het café-restaurant en de dans studio.
Al met al blijft het gebouw een bron van inspiratie. Het is markant, met een bijzondere structuur. Het Veem zelf is inmiddels rijksmonument. Bij het 25-jarig bestaan is aan vier universiteiten gevraagd het Veem kritisch te visiteren op sociaal, fysiek-bouwkundig, cultureel-economisch en bestuurlijk terrein. Op een groot congres (2007; Broeden aan het IJ) werden in de theaterzaal de uitkomsten gepresenteerd. De uitkomsten stemden tot tevredenheid: het Veem doet het uitstekend, is divers, creatief en vele huurders zijn spraakmakend in binnen- en buitenland. En het gebouw is – en blijft – door alle zelfwerkzaamheid extreem goedkoop (€ 40,- per m2 per jaar). De herkenbaarheid van het pand en zijn aantrekkelijkheid als werkomgeving als een toegevoegde waarde voor de erin gevestigde bedrijven, werd pas laat herkend door de Vemers zelf. Van Soomeren: “Anderen moesten ons er echt op wijzen. Voor ons was het Veem als water voor de vis.”



donderdag 18 oktober 2012

De Kamers: Passie en Zelfbewustzijn

Eind september 2012 gingen De Kamers failliet. Onderstaand portret van De Kamers dateert van net voor de zomer van 2012. Vol goede moed probeerde Jos van Oord het hoofd van De Kamers boven water te houden, tegen de financiële stroom van niet langer subsidie en minder verhuur in. Dat viel zwaar en dat laat zich goed lezen in het portret. Tegelijk laat het portret ook zien hoe ver je kunt komen met creativiteit, ondernemerschap en passie.
Ik heb het portret niet aangepast aan de nieuwe situatie. De Kamers zouden tekort gedaan worden als ze uitsluitend gezien zouden worden als een failliet experiment. Daarvoor is er te veel moois tot stand gebracht. En wellicht dat een doorstart nog veel moois kan betekenen voor Amersfoort en Vathorst. Aan de andere kant zal het de moeite lonen het verslag van de curator goed te lezen; er valt vast veel van te leren.

De Kamers staan in de Amersfoortse wijk Vathorst en bestaan – hoe kan het ook anders – uit kamers. Het theater is de theaterkamer en het toilet is het kleinste kamertje. En werken doe je in de Bovenkamer. Samen vormen De Kamers een blokkendoos vol ruimtes, die – hoe blokkig ze ook zijn – warmte en welkom uitstralen.

Passie
De Kamers ontstonden toen Jos van Oord en Jan van der Meulen besloten dat ze in Amersfoort een plek wilden maken voor Cultuur en Ontmoeting. Omdat ze hielden van cultuur en hielden van ontmoeting. De predikant en de kunstenaar verzonnen een sobere, mobiele plek waar ze de wijk mee in wilden gaan. Dan weer hier, dan weer daar. Om die plek te realiseren combineerden ze hun passie met een zelfbewuste strategie.
Jan van der Meulen: “We hadden een goed verhaal en we hadden passie. We konden iedereen overtuigen. We zetten hoog in. Dat kan als je betrokken bent. We gingen altijd gelijk naar wethouders en directeuren. We wisten waar we niet goed in waren en dat zeiden we. Maar we wisten ook waar we wel goed in waren. En dat zeiden we natuurlijk ook.”

Ze klopten aan bij het Ontwikkelingsbedrijf Vathorst (OBV). Jos van Oord: “OBV was enthousiast over ons concept van ontmoeting en cultuur, maar niet over onze containers. Ze wilden iets moois, van hout. En toen is het uit de hand gelopen, met een eetkamer, een leeskamer, een bovenkamer en een theaterkamer. In 2007 werden alle kamers bij elkaar opgeleverd. Vanaf toen stond De Kamers.”

Met De Kamers maakt architect Mechtild Stuhlmacher een gebouw dat is wat het wil zijn; een mogelijkheid tot ontmoeting. Vrijwel alle ruimten staan in verbinding met elkaar en benadrukken daarmee ook de verbinding die kan worden aangebracht tussen de verschillende activiteiten. Jos van Oord: “Ooit vertoonde een Iraaks gezelschap een film van een beroemde Iraakse cineast. De theaterzaal zat vol. Toch hebben we de businessclub die hier bij elkaar kwam, uitgenodigd mee te komen kijken. Dat gaat dan heel natuurlijk.”

Omdat ze geen verstand hadden van vastgoed, benaderden ze woningcorporatie De Alliantie. “We kwamen in gesprek met Jim Schuyt, grote baas van De Alliantie”, vertelt Jan van der Molen. “Ook hij was enthousiast en direct overtuigd van de meerwaarde van ons idee voor de wijk waarin zijn corporatie honderden woningen aan het bouwen was. Die mensen komen daar wonen en hebben behoefte aan een plek waar reuring is.” Om kort te gaan, De Alliantie kocht De Kamers en De Kamers gingen huren van de Alliantie, een stevige basis onder de exploitatie van het pand.

Toen ze bezig waren, raakte ook de gemeente enthousiast. De wethouder vroeg de Kamers het welzijnswerk te gaan verzorgen in Vathorst. Jos van Oord: “Dat wilden we graag, en we hebben het op onze manier gedaan. Wij geloven sterk in de integratie van cultuur en welzijn. De gemeente moest daar aan wennen. Maar door die combinatie gebruikten wij het subsidiegeld ook voor cultuur, want cultuurprogrammering is ook welzijn. Dat merkten we ook wel, bijvoorbeeld bij de nagesprekken over een indringend theaterstuk. Dan kwam de ontmoeting tot stand. We gebruikten een deel van het welzijnsgeld dus voor de exploitatie van het pand, voor cultuuractiviteiten, voor onze salarissen. Het resultaat was een bruisende plek waar mensen kwamen om samen dingen te doen.” Jan van der Meulen vult aan: “We vonden dat allemaal geen mazzel. We hebben nooit getwijfeld aan het succes van het concept. Maar de manier waarop het tot stand is gekomen, is natuurlijk wel bijzonder.”

Ondernemerschap & Subsidie
Veel subsidie gaat er niet om in De Kamers. Jan van der Meulen: “We hebben te veel subsidie sowieso altijd tegengehouden. We willen het geld verdienen en dan weer uitgeven aan onze activiteiten. In het begin liepen we het risico dood geknuffeld te worden. We konden overal subsidie krijgen. Maar we wilden ondernemend blijven.” Inmiddels is de subsidie minder en de voorwaarden strenger. Jos van Oord stelt nuchter vast dat “de gemeente de touwtjes inmiddels heeft aangetrokken. We hebben de activiteiten uit elkaar gehaald en ondergebracht in twee stichtingen. Stichting De Kamers doet de exploitatie van het gebouw, de stichting Kamerbreed organiseert activiteiten op het gebied van welzijn. Dat is nu keurig gescheiden en transparant gemaakt. De Kamers verhuurt ruimtes en organiseert cultuuraanbod als ondernemer. En nu moeten we nog ondernemender worden, moet het verdienmodel nog scherper worden neergezet en in de gaten worden gehouden.
We zijn geen managers. Dus we hebben mensen om ons heen gezocht die dat wel in de vingers hebben. En zo hopen we te overleven met een omzet die nu in 2012 de helft is van in 2008, toen we begonnen.” Daarvoor is wel de balans tussen de verschillende activiteiten veranderd. De Kamers doet meer zakelijke verhuur en minder theater. Maar de bezetting van het theater is hoger. De horeca gaat worden uitgebreid; events, verhuur van vergader- en conferentieruimte, huwelijken vormen de kurk waar De Kamers op drijft. Het geeft de beide kamerheren gemengde gevoelens. Jos van Oord: “Hoe zich dat verhoudt tot de droom waar we mee begonnen? We doen het nog steeds: maaltijd, presentatie, samenzijn van mensen. Maar we moeten de nadruk meer leggen op het verdienen van geld.”

Jos van Oord wijt het feit dat de verzakelijking zo ingrijpend was, ook aan het feit dat De Kamers niet hebben laten zien wat er welzijn was aan het werk dat ze deden. “Cultuur en welzijn liepen vloeiend in elkaar over. Wij lieten vooral de culturele kant zien, daar was het ons tenslotte ooit om begonnen. Dat er allerlei welzijnscomponenten in zaten, van ontmoeting, emancipatie en empowerment, bleef daarbij onderbelicht. Als we dat beter in beeld hadden gebracht, was de boel niet zo uit elkaar getrokken en hadden we meer synergie kunnen blijven realiseren tussen welzijn en cultuur.”

Ondernemerschap is altijd een belangrijk onderdeel van de manier van werken van beide kamerheren geweest. Ze zien het als een voorwaarde om in te kunnen spelen op nieuwe situaties en daarbij steeds kwaliteit te leveren. Als voorbeeld geven ze het Mamacafé. Zoals in iedere nieuwbouwwijk volgde ook in Vathorst na oplevering van de eerste woningen een geboortegolf. Die moeders zochten een plek om samen te komen en kwamen terecht in De Kamers. Jan van der Meulen vond het een mooi initiatief. “Ze hebben hier twee jaar lang ieder vrijdag gezeten. Ze organiseerden zelf lezingen en andere activiteiten. Nu zitten ze in een oude school. Want een mamacafé is natuurlijk prima scoren als het om welzijn gaat, maar als exploitant van een gebouw als De Kamers wil je niet alleen maar vaste gasten. De moeders vonden het niet leuk toen we ze vroegen om een nieuwe plek voor hun activiteiten te zoeken. Ze wilden worden gepamperd. Dat doen we niet, want dan gaat de dynamiek er uit.”

Welzijn zonder het te zijn
Over het welzijnswerk zijn ze sowieso niet onverdeeld enthousiast. Jos van der Meulen vertelt over de theaterproductie die ze maakten over dementie. “Dat deden we gewoon goed, met professionele theatermensen, we haalden de ouderenzorg er bij. Toen we de begroting rond wilden krijgen, en subsidie aanvroegen, zeiden ze bij welzijn dat het zorg was, en bij zorg vonden ze het welzijn. En in de tussentijd riepen allemaal partijen dat de senioren van hun waren. Het is doelgroep-denken, en dat is fnuikend. Zet tien mensen met een probleem bij elkaar en je hebt een reuze probleem. Daarom denken we niet in doelgroepen. We brengen mensen bij elkaar om samen iets te doen.”

Toen De Kamers een plek werd voor activiteiten voor senioren, wilde de senioren het liefst kasten waar ze hun spullen in op konden bergen. Jan van der Meulen: “Zij wilden iets van zichzelf. Maar wij wilden helemaal geen kasten. De Kamers zijn van iedereen. Wij zeiden dat we een uitvalsbasis waren. En nu zitten ze als nomaden in verschillende ruimten in de buurt. Welzijnswerk is opvoeden dat mensen zelf dingen doen. We zijn er en denken mee, maar we doen zelf niks.”

Geen van beide heeft een achtergrond in het welzijnswerk. Geen van beiden hebben ze dat ervaren als een handicap bij het uitvoeren van het verzoek van de gemeente Amersfoort om het welzijnswerk uit te gaan voeren. Jos van Oord vindt het eigenlijk achterhaald om te denken dat welzijnswerk door welzijns- of opbouwwerkers moet worden gedaan. “Soms is het een huisarts die een project van de grond trekt, of een groenbedrijf dat bepalend is voor het succes. De sleutelspeler is degene die weet wat de vraag is en waar de energie zit, dat is de essentie. Daarvoor maakt de achtergrond niet uit. Andersom is die achtergrond van die speler wel een toegevoegde waarde. Als dominee ben ik niet opgeleid om het antwoord te geven, maar om de vraag te stellen. En dat geldt ook voor Jan, als kunstenaar. Zo bereik je mensen, door de vraag te stellen. En als dominee was ik bruggenbouwer. En dat doe ik hier ook. Een multifunctionele accommodatie voor religie en cultuur, was ooit mijn ambitie. Een Kerk bestaat dankzij vrijwilligers, zo ook de Kamers.”

Nieuwe Kamerheren (of –vrouwen)
De Kamerheren hebben De Kamers gemaakt. En binnenkort zijn ze er niet meer. Jan van der Meulen heeft inmiddels afscheid genomen als fulltime kamerheer en is elders aan de slag, al blijft hij betrokken. Jos van Oord gaat binnenkort met pensioen. Hun opvolging is geen kwestie van een simpele sollicitatieprocedure en vormt daarmee een risico voor De Kamers. Zelf zijn ze daar niet zo huiverig voor. “Mensen die de kar trekken hebben een bepaalde doorlooptijd. Op een gegeven moment moeten ze weg, want dan werkt het niet meer. Maar op een andere plek kunnen ze weer goed aan de slag en van niets iets maken. En bij clubs waar het goed gaat, zie je altijd wie de sleutelspeler is. Dus een advertentie zetten heeft geen zin, maar je kunt natuurlijk wel om je heen kijken,” stelt Jan van der Meulen. “De Kamers hebben een smoel nodig, geen beheerder die van de regels is. Dus we netwerken, kijken uit onze ogen, hopen iemand te vinden die we een beetje op kunnen leiden. En we hebben de mazzel nodig dat we het nieuwe gezicht van De Kamers tegen komen. Want dat gezicht is natuurlijk wel ergens. We moeten het alleen vinden.”

donderdag 4 oktober 2012

Purperreiger: zelf doen kan, als je maar gelooft dat het kan

Zoals zoveel panden die aan een volgend leven zijn begonnen, was de Purperreiger in zijn eerste leven een school. De kapstokjes op kinderhoogte getuigen er nog van. Naut Kusters werkt al jaren in de Purperreiger. Hij is directeur van ECEAT, European Centre for Eco Agro Tourism, dat sinds het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw is gevestigd in de Purperreiger.  “In de geschiedenis van dit gebouw, zie je de geschiedenis van het actievoeren in Nederland. In de jaren ’70 en ’80 waren landen organisaties actief, zoals het Guatamala-comité of het Nicaragua-comité. Die gingen samen in het Latijns-Amerika comité, verhuisden en hebben zich opgeheven. Uit die periode is eigenlijk alleen Stichting Verbiedt de Kruisraketten over.”

“Boven” en “beneden”
In de dagelijkse praktijk kent de Purperreiger “boven” en “beneden”. Boven zitten vooral maatschappelijk geëngageerde organisaties, beneden is het domein van de kunstenaars. “Boven” heeft zijn ingang aan de Minahassastraat in de Indische Buurt, “beneden” kom je binnen via een aanzienlijk majestueuzer entree aan de Celebesstraat. Die scheiding weerspiegelt de geschiedenis van het pand. “Beneden” werd beheerd door Stichting Fase 3, die zich richtte op kunstbevordering in Amsterdam. “Boven” werd beheerd door Stichting Archipel, die zich richtte op het huisvesten van  organisaties gericht op maatschappijverbetering. Eigenaar van het pand was tot medio  2011 het stadsdeel Amsterdam Oost (voorheen Amsterdam Zeeburg).
In het gesprek komt een grote stoet van organisaties voorbij, die de tijd weerspiegelen. FNV-jongeren, pedofielenvereniging Martijn en midden jaren ’90 organisaties die zich richten op Oost-Europa. Nu zitten er “boven” vooral veel organisaties die zich richten op duurzaamheid. In de loop der tijd is de gang van zaken in het gebouw behoorlijk verzakelijkt. Zo had Stichting Archipel jarenlang een klassieke jaren ’70 gebruikersraad, een betrokkenheid die in de loop der jaren werd teruggebracht tot een gemeenschappelijke beheerder van het pand en een jaarlijkse borrel waarin huurders elkaar vertelden over hun bezigheden. Tussen de huurders van Archipel en Fase 3, tussen “boven” en “beneden” was eigenlijk geen contact.
Sinds het begin van de eeuw raakte Archipel zijn verbondenheid met maatschappelijke bewegingen steeds meer kwijt. Ambitie en leden verdwenen uit het bestuur van Archipel. In het gebouw ontstond leegstand, ruimtes werden verhuurd aan ontwerpers en lay-outers. “Geen partijen waar het pand voor bedoeld was”, vond Kusters en ging in 2008 in zijn eigen netwerk op zoek naar nieuwe huurders. Hij vond Rank a Brand, die samen met onder anderen Stop the Traffik en Studio Jux ruimte kwamen huren. Dit waren twintigers en dertigers die een nieuwe maatschappelijk engagement vertegenwoordigde, de zogenaamde  “praktische idealisten”. Daarmee kwam er weer dynamiek in het pand, partijen leefden weer op, er ontstonden kansen om het gebouw te profileren, smoel te geven.

Verkoopplannen verbroederen
In 2009 liet het stadsdeel weten van plan te zijn het pand te verkopen aan Woningbouwcorporatie Ymere, als onderdeel van een grotere verkoop. Dat was het moment dat “beneden” naar “boven” kwam. Verkoop was een risico voor de activiteiten van alle partijen in het pand. Wat te doen? In ieder geval bracht de dreiging samenwerking tussen alle gebruikers van het gebouw tot stand. Naut Kusters: “Sommigen waren van mening dat die verkoop niet door mocht gaan. Daar moesten we ons tegen verzetten. We moesten ons solidair verklaren met de gebruikers van andere panden die in de verkoop gingen en die verkoop juist tegenhouden. Maar dat leek mij geen haalbare kaart. Als we onder onze eigen voorwaarden in het pand wilden kunnen blijven werken, zouden we het zelf moeten kopen. Daarvoor moest allereerst het idee ontstaan dat het überhaupt mogelijk was om het gebouw te kopen. Dat gebeurde toen we met leden van de stadsdeelraad gingen praten. Zij steunden ons, om uiteenlopende redenen. Bij de een pasten we uitstekend in hun ideologische plaatje. De ander vond ons alleen maar leuk. Weer een ander zag jonge ondernemers. Maar dat was natuurlijk ook goed. Ook bij de gebruikers waren er bezwaren te overwinnen. Vele gebruikers wonen zelf in een huurhuis. Voor hen is het kopen van vastgoed een barrière. Sommigen overwogen om ergens anders hun activiteiten voort te zetten, anderen waren al vertrokken. Ik wilde blijven. Vanwege ECEAT, maar ook vanwege de functie van het gebouw. Het bestond als verzamelgebouw al zo’n dertig jaar, als we het konden kopen zou het er nog honderd jaar zijn. Ik kwam in de positie dat ik het verschil kon maken en vond dat ik dat ook moest doen. Uiteindelijk wonnen de argumenten om te kopen. En dat lukte, na de nodige acties richting de deelraad.”
Inmiddels is Stichting Archipel omgebouwd tot Stichting de Purperreiger. Die heeft het pand gekocht en Stichting Fase 3 is daarin opgegaan. “Het pand is nog steeds verdeeld in “boven” en “beneden”. De businessunit “boven” heeft een hogere huur dan de businessunit “beneden”. Maar “boven” heeft dan ook meer service dan “beneden”, waar mensen zelf schoonmaken en kleine dingen repareren. En er is een derde businessunit voor het casco.” Het bestuur van de stichting wordt gevormd door de huurders. Drie van “boven” en twee van “beneden”, of zoals vastgelegd in de Statuten: een derde van het pand is bedoeld voor kunstenaars, twee derde is bedoeld voor maatschappelijke organisaties. De samenstelling van het bestuur weerspiegelt daarmee de verhoudingen in het pand tussen kunstenaars en maatschappelijk organisaties. De mensen die nu in het bestuur zitten, zijn ook de mensen die zich het meest hebben ingezet voor de aankoop van het pand.

Voor de wereld of voor de buurt?
Voor de Purperreiger is de relatie met de buurt belangrijk. Een van de overwegingen van het stadsdeel om bij verkoop geen garantie te geven voor het behoud van alle functies die daarin waren gehuisvest, was het feit dat de activiteiten van de huurders zich niet richtten op de buurt. Ze konden hun activiteiten overal elders in Amsterdam of Nederland ontplooien, was de gedachte van het stadsdeel. Dat beeld veranderde toen kunstenares Simone Hoogervorst “beneden” het Atelier van Tante Gerritje begon. In het Atelier van Tante Gerritje konden kinderen uit de Indische Buurt komen knutselen. En Tante Gerritje ging samen met kinderen van scholen uit de buurt de bakken van het ondergronds afvalsysteem beschilderen. Dat was niet alleen leuk, met de komst van Tante Gerritje verloor het argument van het stadsdeel dat de activiteiten die in de Purperreiger werden ondernomen niet per se in de Purperreiger moesten worden gehuisvest, behoorlijk aan kracht.
Begin 2012 ontstond er “beneden” echter een conflict tussen het Atelier van Tante Gerritje en andere gebruikers. Waar het conflict nu precies uit bestond, is Naut Kusters nooit helemaal duidelijk geworden. “Ik heb er wakker van gelegen. Ik vond Simone Hoogervorst een leuk mens, haar project had ook bijgedragen aan ons resultaat en bleef belangrijk voor de relatie van het pand met de buurt. En nu zou ze dan wegmoeten? Maar dat is uiteindelijk wel wat er gebeurde. In het bestuur werd het benaderd als een conflict van “beneden”, waar “boven” wel wat van vond, maar niet zoveel dat we ons voluit met de uitkomst bemoeiden.” Het conflict loste zichzelf op toen het bestuur van de Stichting van tante Gerritje besloot het huurcontract te beëindigen. Nu is de inzet vooral om weer een nieuwe activiteit binnen te halen die gericht is op de buurt.
Opvallend is dat geen van de huurders “boven” zich met het conflict hebben bemoeid. Dat zou in de jaren ’70 gebruikersraad van Archipel wel anders zijn geweest. Naut Kusters is daar eigenlijk wel tevreden over. “Ik vond en vind het van belang dat het gebouw zakelijk en slagvaardig bestuurd kan worden. De stichtingsvorm die we hebben gekozen voorziet daarin. En dat is goed.”


donderdag 20 september 2012

Seats2Meet: betalen met wat je kunt

Vrijwel anoniem weggestopt aan het randje van Hoog Catharijne zit Seats2Meet. Je kunt er zowel via het winkelcentrum binnen, als buitenom via het Moreelsepark. In beide gevallen word je geconfronteerd met een bescheiden naambordje, tussen andere bescheiden naambordjes. Het had net zo goed het kantoor van een gezelschap boekhouders kunnen zijn, of van een stel civiel ingenieurs. Zelfs nog wanneer je de lift uitkomt, is het allemaal degelijk, op het saaie af. Maar eenmaal bij de receptie ontvouwt zich voor je oog een mierenhoop van mensen die aan lange tafels achter laptopjes zitten te werken. Niet echt in stilte, want een licht geroezemoes gonst door de ruimte. Maar stil genoeg om geconcentreerd driftig tekst te produceren.

Zelf doen
De avond voor mijn bezoek had ik gereserveerd. Gelukkig maar, want er was nauwelijks plek om aan te schuiven met mijn eigen laptopje. Bij het reserveren werd me gevraagd aan te geven wat mijn expertise was. Want werken bij S2M kost dan misschien geen geld, je betaalt wel. Met je expertise, je sociaal kapitaal. Op de site kun je per locatie zien welke kennis er op welk moment van de dag aanwezig is.
Het concept van S2M is simpel. Wie in zijn eentje wil komen werken, reserveert en betaalt geen cent. Wie wil komen vergaderen, betaalt voor alles wat hij gebruikt. Maar ook niet meer dan dat, een beetje het easy-jet model. Kom je met 11 mensen vergaderen, dan betaal je voor 11 stoelen, ook als je in het zaaltje zit waar je met 14 mensen terecht kan. En vervolgens betaal je voor alles wat je gebruikt, van een kopje koffie tot de beamer. Aantrekkelijk voor klanten is dat je tot 24 uur van te voren kunt annuleren. Je kunt ook van alles en nog wat bij- of afbestellen, nadat je hebt geboekt, zonder dat mensen bij de receptie chagrijnig worden. Want je doet het zelf.

Help ontmoeten
S2M komt voort uit de klassieke zalenverhuur, vertelt Vincent Ariens, community manager bij Seats2Meet.com. “De oorsprong ligt bij Meeting Plaza, dat bijvoorbeeld op het centraal station van Utrecht zalen verhuurt. Die markt raakte verzadigd, klanten werden kleiner en hadden dus kleinere behoefte aan vergaderruimte en met de crisis raakte het geld op. Diezelfde crisis maakte ZP-ers, mensen die voor zichzelf werken en dus met anderen. Zij werken alleen, willen anderen ontmoeten die ook alleen werken en soms juist met elkaar aan de slag. Precies in die behoefte voorziet S2M.”

Betalen met Sociaal Kapitaal
ZZP-er is een term die ze bij S2M overigens liever niet gebruiken, omdat hij vooral tot uitdrukking brengt wat mensen niet zijn. En ze vinden het ook een beetje zielig, alsof er niemand voor ze wil werken. S2M zegt ZP-er en dat staat voor Zelfstandige Professional. Zo zijn wel meer dingen net anders. Want als de lunch gratis is, wie betaalt hem dan? Het is maar welke kosten je maakt en aan welke klanten je ze in rekening brengt, stelt Ariens. “Wij bieden mensen die willen vergaderen een op maat gesneden arrangement, want dat kunnen ze zelf samenstellen. Er zijn weinig risico’s aan verbonden, want ze kunnen tot 24 uur van te voren afzeggen. En als ze komen, vergaderen ze in een inspirerende omgeving, waar veel mensen al aan het werk zijn, die ze ook nog bij hun eigen activiteit kunnen betrekken. De vergaderaars betalen de rekening van de sfeer en de lunch voor de aanwezige ZP-ers, maar daar krijgen ze dan ook echt wat voor terug. Omdat we ons geld stoppen in een goede website, waar je makkelijk kunt reserveren en geen reclame maken, kunnen we de vergaderaars een aanvaardbare prijs bieden. Mensen die komen werken, betalen met hun sociaal kapitaal en met hun gebruik van social media. Zij laten via twitter weten dat ze bij ons werken en wat ze bereiken. En zo regelen we onze marketing.”

Synergie
De samenwerking tussen de aanwezige ZP-ers ontstaat, maar is nog niet in beeld gebracht. Wel ziet Ariens regelmatig bekende gezichten, maar dat maakt de synergie nog niet meetbaar. Het idee werkte bij de ZP-er die bij S2M regelmatig aanschoof om te werken aan een boek over hoe Nederland online werkt. Toen het af was, kon de boekpresentatie gratis plaatsvinden in de grote vergaderruimte van S2M, onder de voorwaarde dat alle aanwezige ZP-ers kunnen deelnemen. Nu heeft de auteur een trainingsbureau en maakt op zijn beurt, maar nu tegen betaling, gebruik van de faciliteiten van S2M.
Als het gaat om synergie kunnen nog wel slagen in worden gemaakt. Ariens: “We kunnen de techniek nog beter in zetten om mensen met elkaar in contact te brengen. Je weet wel welke kennis er waar in huis is. Maar mensen wijzen op andere nieuwe mensen, of de weg wijzen naar beschikbare kennis elders, dat kan allemaal nog beter. Iets anders waar we wel over nadenken zijn manieren waarop mensen elkaar hier kunnen vergoeden voor bewezen diensten. Kunnen we geen alternatieve valuta in het leven roepen, of gebruik maken van renminbi’s? Als je zoiets bedenkt, steekt de Nederlandse Bank onmiddellijk zijn vinger op.”

Alternatief
Het S2M-concept is inmiddels op 42 verschillende plekken in Nederland uitgerold. Veelal in een franchise-vorm; inspired by. Ook nu, midden in de crisis, breidt het aantal plekken zich uit. Juist de crisis creëert een behoefte aan flexibele vergaderruimte én plekken voor ZP-ers. Het concept leent zich ook voor die twee mensen die elkaar bij S2M ontmoetten en samen een bedrijf startten, zegt Ariens. “Ze zijn nu met z’n zevenen, doen aan website ontwikkeling, werken bij klanten of een S2M-plek. Maar één keer in de twee weken huren ze hier een ruimte om letterlijk samen te werken.”

donderdag 6 september 2012

De Meevaart: Gebruiken is Bepalen

Wanneer je de Meevaart binnenkomt, sta je gelijk in de mooiste ruimte  van het gebouw. Het is de centrale hal, een ruimte van meer dan 100m2. De ruimte is hoog en licht. Er staan robuuste houten tafels met dito banken. Aan de ene kant staat een volwassen bar, aan de andere kant de buurtboekenkast en een indrukwekkende Marokkaanse sedari. Je kunt de ruimte huren, maar dan moet je accepteren dat alle andere gebruikers van de Meevaart er nog steeds door heen lopen. De hal is tenslotte kruispunt en ontmoetingsplek van het gebouw, en daar worden geen concessies aan gedaan. De Meevaart is er voor zijn gebruikers en de Meevaart gebruik je niet in je eentje.

De Meevaart
De Meevaart is een oud schoolgebouw in de Amsterdamse Indische buurt, dat al heel lang wordt gebruikt als buurthuis. Na een verbouwing in 2011 werd het op 4 februari 2012 feestelijk heropend, met een nieuwe leiding. Was de Meevaart altijd een buurthuis waarvan exploitatie en programmering in handen was van een welzijnsstichting, nu was het aan bewoners om dat te doen. Stadsdeel Amsterdam Oost neemt een belangrijk deel van de kosten voor zijn rekening, in ruil waarvoor groepen bewoners die voldoen aan door het stadsdeel opgestelde criteria, gratis van het gebouw gebruik kunnen maken. Andere groepen en organisaties moeten betalen voor het gebruik van het gebouw. 
Formeel is het beheer in handen gelegd van de Meevaart Ontwikkel Groep. De MOG is in 2011 opgericht om als vehikel te dienen om de ambities van beheer en gebruik van de Meevaart door bewoners mogelijk te maken. Zij is als stichting de formele ontvanger van subsidie van het stadsdeel en huurder van het pand van corporatie De Alliantie. De MOG komt voort uit de Karrewiel Community. Deze community beheerde en programmeerde op tijdelijke basis het voormalige buurthuis Het Karrewiel. Zij werden door het stadsdeel gevraagd om na de verbouwing het zelfde te doen in de veel grotere Meevaart.
Doel van de Meevaart is om beschikbaar te zijn, aldus Pierre Mehlkopf, lid van het bestuur van de Meevaart Ontwikkel Groep. “Met zijn aanwezigheid wil het gebouw een stimulans zijn tot activiteiten van en samenwerking tussen groepen van bewoners uit de wijk. De MOG is niet de partij die verantwoordelijk is voor de activiteiten. Dat zijn de groepen of communities zelf. We vertellen dan ook schaamteloos over wat hier allemaal gebeurt, ook over dingen die niet mogen. Er wordt hier bijvoorbeeld gebeden door een aantal mensen en wij steken dat niet onder stoelen of banken. Wij stellen groepen in staat hun activiteiten te ontplooien. Zij maken de Meevaart tot wat hij is, niet het bestuur. Daarmee zijn wij als bestuur nadrukkelijk niet de controleur die in de gaten houdt of ze daarbij voldoen aan de specifieke eisen van de overheid. We willen af van die controle door de overheid. Wat moet gebeuren is dat groepen van bewoners zich verantwoorden bij de buurt, bij andere bewoners. En het stadsdeel kan daarbij toezien. Ze zijn van harte welkom.”

Sturing: gebruik is niet vrijblijvend
Gebruik en beheer van de Meevaart zijn maar voor een beperkt deel in formele regels en beleidsplannen gegoten. Als Pierre Mehlkopf over “wij” praat, dan doelt hij de ene keer op het bestuur van de stichting en zijn zakelijk leider (Firoez Azarhoosh), en de andere keer op de groep van gebruikers. Daarmee is ook het ongrijpbare van het karakter geschetst. “Het gebouw en zijn gebruik ontwikkelt zich onder onze handen,” stelt Mehlkopf. “We willen een doorgangshuis zijn, geen sociëteit. Groepen komen binnen en ontwikkelen zich. Dat kan op twee niveaus. Of mensen ontwikkelen zich en hebben dan de Meevaart niet meer nodig. Of activiteiten ontwikkelen zich en leveren daarmee een veranderende bijdrage aan de Meevaart.”
Er zijn wel een paar mechanismen in het leven geroepen om verantwoording af te leggen en gebruik te reguleren. Groepen sluiten gebruikscontracten met de Meevaart met een beperkte tijdsduur. Nu is die periode drie maanden; kort, omdat het gebouw nog volop in ontwikkeling is. Werken met een beperkte gebruiksperiode biedt wel de mogelijkheid om periodiek te kijken of gebruik, gebruiker en Meevaart bij elkaar passen.
Groepen die gratis van de ruimte gebruik maken, krijgen van de Meevaart op papier een schenking ter waarde van de huur. Maken ze geen gebruik van hun ruimte, dan moeten ze de schenking terug betalen. De Meevaart heeft zijn schenking nog niet teruggevraagd van een groep, maar de verwachting is dat deze omgekeerde borg groepen zal stimuleren goed na te denken over hun ruimtebehoefte.
Een ander “mechanisme” is de inzet van bestuur en anderen om groepen die de Meevaart ontgroeien of er eigenlijk niet in passen, op weg te helpen naar andere ruimte in de buurt. Zo groeit Schaakschool Zeeburg hard en hebben ze behoefte aan ruimte voor inloop. Die ruimte biedt de Meevaart niet, maar mee helpen zoeken is een alternatief.

Vertellen is verantwoorden
Om verantwoording af te leggen is het nodig te vertellen wat er gebeurt. Belangrijker dan verantwoording afleggen aan het stadsdeel, is het om buurtbewoners te vertellen wat er in gebouw gebeurt. Zo zien zij wat  er gebeurt in een gebouw dat met hun belastinggeld wordt betaald. Vertellen is ook een manier om buurtbewoners uit te nodigen gebruik te maken van het gebouw of van de activiteiten die er worden georganiseerd. Bij de opening hebben groepen als Kunst & Koken en Schaakschool Zeeburg aan bezoekers verteld wat ze doen.
Ook de conflicten die zich bij het gebruik van het gebouw voordoen, zijn een belangrijke manier om de wijze waarop van het pand gebruik wordt gemaakt, te wegen. Conflicten ontstaan wanneer ruimtes niet opgeruimd worden achtergelaten voor de volgende gebruiker of wel worden gereserveerd, maar niet gebruikt. Bestuur en zakelijk leider proberen zoveel mogelijk buiten deze conflicten te blijven. Azarhoosh: “We denken dat conflicten het beste worden opgelost wanneer mensen zelf verantwoordelijk zijn voor de oplossing. Als bestuur, zakelijk leider of ambtenaren van het stadsdeel zich daar in mengen als scheidsrechter, wordt het conflict niet opgelost, maar onderdrukt. Voor de korte termijn is dat misschien een oplossing, maar in een gebouw dat het moet hebben van de samenwerking en gedeeld belang van alle gebruikers is het te weinig.”

Veel open
De Meevaart is zo’n 90 uur per week open. De begroting trekt zo’n ruime openstelling eigenlijk niet, temeer omdat in die 90 uur lang niet alle ruimtes tegelijk worden gebruikt. Mehlkopf en Azarhoosh schatten de bezettingsgraad van de sport- en theaterzaal op respectievelijk 40% en 50%, terwijl de andere ruimtes ongeveer 80% van de tijd worden bezet. Om de kosten van beheer en schoonmaak te dekken zou er zo’n € 50.000 bij moeten, op een begroting van ruim € 3 ton. Omdat ze er niet op rekenen dat het stadsdeel dat bedrag zal bijpassen, denken Mehlkopf en Azarhoosh na over andere mogelijkheden. De MOG is in gesprek met een ROC om een opleiding Beheerder te starten. Met voldoende deelnemers aan de opleiding zijn er in de Meevaart gelijk een hoop beheerders bij. Het zal geen probleem zijn om als Meevaart erkend leerbedrijf te worden en een gediplomeerd beheerder dienst te hebben. Iets vergelijkbaars zoeken ze voor de bar en de keuken. Aan een van de vrijwilligers hebben ze de ruimte gegeven om te kijken of je daar een businessmodel bij kunt verzinnen. Als dat lukt hebben Meevaart en vrijwilliger daar beiden baat bij. Voor het schoonmaken en de zaaltechniek willen ze een bedrijfje opzetten met buurtbewoners. Liefst zou je daarvoor meerdere gebouwen in beheer hebben. Lukt het niet om die bedrijfjes van de grond te krijgen, dan wordt de Meevaart teruggeworpen op zijn de bijdrage van het stadsdeel. En die is te laag om zoveel uren open te zijn.

Synergie: organisch organiseren is minimaal organiseren
De manier van werken binnen de Meevaart kent sowieso een organische benadering. Mehlkopf vertelt over het maken van de website van de Meevaart: “toen we constateerden dat we een website nodig hadden, riepen tien mensen dat ze die wel konden maken. Dan gaat er daar een van aan de slag. Als die zijn product presenteert, zeggen 9 mensen dat het niks is. Dan komen er professionele eisen en dan vallen er 6 mensen af. Dan maken die drie die overblijven het zo mooi dat we een G4 computer moeten aanschaffen om het te laten werken, terwijl ik niet weet wat een G4 computer is. Dan wordt het afgeschaald en resteert er een werkbaar model. Dat kost ons drie maanden, maar dan is het wel gedragen.”
Zo ontwikkelt zich ook de synergie tussen gebruikers in de Meevaart. De centrale ontmoetingsruimte is dan misschien groot, hij is wel zo ingericht dat je je als groep niet wezenlijk kunt afzonderen van andere aanwezigen. Zo ontstaat de eerste kans om kennis te maken met anderen. Mehlkopf: “De kookgroep zoekt actief andere gebruikers: wat heeft het voor zin om te koken als er niemand komt eten?”

Rondjes draaien met ambtenaren
In cijfers is de Meevaart succesvol. Ambities op het gebied van bezettingsgraad en openingsuren zijn ruimschoots gehaald. Belangrijker is misschien wel het succes van vertrouwen. Vertrouwen in het zelfregelend en –corrigerend vermogen van de gebruikers. Vertrouwen, want sturing werkt niet. Iedere poging daartoe werd genadeloos afgestraft. Als het bestuur zei dat er toch een paar dingen georganiseerd moesten worden, verticaliseerden de verhoudingen ogenblikkelijk en werden gebruikers klanten. Wat werkte was benoemen wat niet goed ging. Genoeg mensen die dat ook vonden en initiatief namen.
Grootste bedreiging voor het succes van de Meevaart is een toenemende sturingsbehoefte van het stadsdeel. Bij het stadsdeelbestuur heerst een enorme angst dat het mis gaat in de Meevaart. “Eindeloos wil het stadsdeel dat bespreken. En dus zitten we eens per twee weken om de tafel rondjes te draaien met ambtenaren. Eigenlijk alleen maar met ambtenaren. Maar als we concreet een vraag voor het stadsdeel op tafel leggen, dan geeft het stadsdeel niet thuis,” aldus Azarhoosh. En Mehlkopf vult aan: “De beste manier om te controleren voor het stadsdeel: wij kunnen op een aantal dagen nog best vrijwilligers gebruiken voor beheer en schoonmaak, het stadsdeel heeft voldoende ambtenaren die de wijk in willen.”